Interview

Helma van den Brink: Fagot

Het nut van een uitstapje

Helma van den Brink had nog een half jaar te gaan op het conservatorium, toen ze al een plek bemachtigde als tweede fagottist in het Koninklijk Concertgebouworkest. Ze was drieëntwintig. Dat werd een feest, én een persoonlijke worsteling. 

Wat als je zo jong het hoogste al bereikt hebt en je al direct op topniveau moet presteren? Om die vraag te beantwoorden, speelde fagottiste Helma van den Brink vorig jaar een tijdje bij een ander orkest, en nam ze een speelpauze. ‘Ik zit nu vanaf januari weer mee te toeteren.’ ‘Meetoeteren?’ ‘Ja,’ herhaalt de nuchtere Brabantse lachend, ‘meetoeteren’.

Haar moeder is blokfluitiste, haar vader gitarist, en haar tweelingzusje speelt viool. Logisch dat ook kleine Helma een instrument ging spelen. Viool, piano en cello kwamen onder haar vingers langs, maar het paste haar allemaal niet. ‘Ik kan me nog herinneren dat het technisch prima ging, maar dat ik me muzikaal niet kon uiten.’

Ook haar moeder zag dat het plezier groter kon. Ze besloot Helma een week thuis te houden van school om alle mogelijke blaasinstrumenten uit te proberen. Alleen de fagot bleef vergeten in de schaduw staan. Letterlijk, want moeder hobbyde in die periode toevallig met een fagot, die thuis in een hoek stond.

Op een onbewaakt ogenblik, haar ouders waren aan het werk en verder was er niemand thuis, heeft Helma die fagot gepakt. ‘Toen sloeg de vonk over.’ Meteen? ‘Ja. Ik was meteen obsessed. Het paste, het lukte, het ging. Sindsdien heb ik alléén maar achter die toeter gezeten.’ Binnen twee jaar zat ze op het conservatorium.

Beloning

Helma speelde in het European Union Youth Orchestra, het Nationaal Jeugd Orkest en her en der als invalster in andere orkesten. Tot ze hoorde dat de tweede fagottist van het Koninklijk Concertgebouworkest bijna met pensioen ging. Haar leraar werd ­Gustavo Núñez, en voor twee jaar dook ze terug in de studeerkamer om alleen maar proefspelrepertoire te spelen.

Mozarts en Webers fagotconcerten klonken op elk tentamen. Ze deed audities in Groningen en Rotterdam, niet omdat ze daar per se wilde spelen, maar omdat ze wilde weten hoe een auditie in zijn werk gaat. Haar harde werk werd beloond. In december 2005, op haar drieëntwintigste, werd ze inderdaad tweede fagottist van het Concertgebouworkest, met haar leraar Gustavo als collega.

Als je denkt dat een tweede fagottist eigenlijk stiekem eerste fagot wil spelen, heb je het mis. Helma vertelt enthousiast wat de tweede partij bijzonder maakt: ‘Het is echt een ander vak. Je speelt zachter, afgedekt, wat in de laagte veel moeilijker is dan in de hoogte. De eerste fagot speelt de melodie, en ik zit daaronder te kleuren en te dekken. Zonder tweede fagot heeft de eerste fagot, en eigenlijk de hele houtblazerssectie, geen fundament.’

Die dragende rol neemt ze graag op zich. ‘Maar’, voegt ze daar een beetje beteuterd aan toe, ‘als je dan je longen uit je lijf hebt geblazen, kan het wel eens jammer zijn als alle eer naar de eerste gaat’. Zie de eerste en tweede fagot (en de contrafagot, als die er is) maar liever als Team Fagot, is de boodschap. Ik klap voortaan duidelijk voor het hele team.

En nu dan?

In het jaar van haar afstuderen bereikt Helma het hoogst mogelijke niveau dat je als tweede fagottist kunt bereiken in de orkestwereld. ‘Ik heb er lang over gedaan om te kunnen omgaan met de vraag ‘en nu dan?’. Moet ze bijvoorbeeld niet toch eerste fagot willen spelen?

Daarbovenop kreeg de druk van het perfect moeten spelen steeds meer grip op haar. Ook al voel je de euforie van het deel mogen zijn van een van de beste orkesten van de wereld, als musicus altijd in het keurslijf moeten passen van je collega’s en de dirigent is zwaar. Zelfs zo zwaar dat Helma het plezier van het musiceren een paar jaar kwijtraakte.

Moet ik dat allemaal wel opschrijven? ‘Ja, want ik denk dat iedereen die in een orkest gaat spelen dit soort problemen tegenkomt.’ Terwijl het volgens Helma een hoop persoonlijke spanning en verkrampte speelmomenten scheelt als een musicus zich niet langer groothoudt. Ze kan het weten, want ze wist het plezier in het spelen helemaal te herontdekken.

Thuiskomen

Onder andere een uitstapje hielp haar daarbij. Vorig jaar trok ze de stoute schoenen aan en reageerde op een vacature voor eerste fagottist van het City of Birmingham Symphony ­Orchestra. Gewoon om eens uit te proberen hoe dat nou is, eerste fagot spelen. Ze speelde direct drie-en-een-halve maand mee.

Het beviel haar, die eerste fagot. De eerste fagot speelt vrijer, opener. Maar, realiseerde ze zich: ‘Ik heb me die tweede fagot wel heel erg eigen gemaakt. Ik heb het inmiddels zó onder de knie.’ En ook al noemt Helma het orkest van Birmingham technisch heel sterk, ze ontdekte ook dat ze de bijzondere klank van het Concertgebouworkest niet zou kunnen missen.

Zoals je op vakantie kunt beseffen hoe lekker je eigen bed ligt, zo ontdekte Helma eigenlijk nu pas echt hoe bijzonder haar baan bij haar Amsterdamse orkest is.

Ding in de kast

Ze moest nog wel even wachten voor ze dat weer ten volle kon ervaren. Helma plande na haar uitstapje direct een half jaar speelpauze. Nu ze de eerste fagot had geprobeerd, wilde ze ook ontdekken hoe het is om even helemaal géén fagot te spelen. ‘Ik had me er heel erg op verheugd. Zo, ding in de kast, lekker ontspannen en vakantie houden.’

Maar vooral de eerste drie maanden vielen haar zwaar. Er moesten een reis naar Japan en Nieuw-Zeeland, pianoles en koorzang aan te pas komen om de fagot een beetje te vergeten. Wat leerde dat haar? Onderbroken door haar eigen lachen antwoordt ze: ‘Dat ik fagot spelen dus echt heel leuk vind.’ Toen ze na een half jaar weer op haar plaats in het orkest zat, was dat maar heel even spannend. ‘Binnen een seconde was het weer fijn, en fijner.’

En nu? ‘Nu voel ik me heel tevreden. Ik heb er veel meer vertrouwen in dat het goed is zoals het nu is. Hoger grijpen hoeft helemaal niet beter te zijn.’ Juist de zoektocht naar kleine dingetjes om haar heen maakt haar baan bijzonder, en nu beseft ze: ‘Ik heb die regie zelf in handen.’

Foto: Anne Dokter

De fagot van Helma van den Brink

Voor fagottisten is het evident: wil je het allermooiste geluid, dan ‘toeter’ je op een Heckel – gefabriceerd door het gelijknamige Duitse familiebedrijf dat afstamt van de negentiende-eeuwse bouwer Johann Adam Heckel. Ook Helma heeft er een, speciaal naar haar wensen gebouwd.

‘Ik heb kleine handjes, dus op sommige plaatsen hebben ze er een extra klepje opgezet. Je mag de houtsoort uitkiezen, en wil je misschien nog een trillerklepje hier of daar?’ Alles kan. Nadeel: vandaag besteld, na vijf jaar pas in huis. Gelukkig vond ze in de Verenigde Staten per toeval een oude fagot, verborgen onder een laag stof in een muziekinstrumentenwinkeltje. Hij paste haar direct.

‘Een fagot kan echt een karakter ontwikkelen. Een ouder instrument is al ingespeeld, er zat direct een enorme kern in.’ Ze kon er de vijf jaar perfect mee overbruggen. Nu hoor je Helma inmiddels al acht jaar op de speciaal voor haar gebouwde Heckel spelen. Al ligt de oude zeker niet opnieuw onder het stof. Thuis repeteert ze er nog graag op.