Achtergrond

De impact van Andriessens De staat

Uit het Preludium maandblad juni 2019

Tijdens RCO Club Night voert het Koninklijk Concertgebouworkest De staat van Louis Andriessen uit in Paradiso. Het werk werd ten doop gehouden in 1976 door het Nederlands Blazers Ensemble, dat bestond uit leden van het Concertgebouworkest.

'Het was echt een mijlpaal in de twintigste eeuw’, zegt Lucas Vis wanneer hij terugblikt op de première van Louis Andriessens baanbrekende compositie De staat, die hij dirigeerde. ‘Het publiek zag musici keihard werken op een nieuw idioom. Het sloeg in als een bom.’

De première van De staat, op zondag 28 november 1976 in Het Concertgebouw, was een evenement. Een monumentaal werk in één deel, met een bezetting waar elektrische gitaren en een basgitaar deel van uitmaakten, akoestische instrumenten die uitversterkt waren, vier zangeressen die fragmenten uit Politeia (De staat) van de Griekse wijsgeer Plato in de originele taal zongen. Plato betoogt daarin dat bepaalde toonladders en de bijbehorende muziek een ondermijnende werking op de samenleving kunnen hebben.

Het bonken van akkoorden

De uitvoering door het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) werd toegejuicht en met de grond gelijk gemaakt. Verslagen uit het ene kamp noemden het de dag erna indrukwekkend, intrigerend, intelligent en razend. Tegenstanders penden omschrijvingen neer als saai, opdringerig.

Franz Straatman, recensent van dienst van het Algemeen Dagblad, kon het niet eens worden met zichzelf. Hij noemde De staat ‘een voortdurend proces van ontlading van geweldige energieën... schitterend in klank omgezet,’ maar concludeerde toch dat ‘de hemelbestormer Louis Andriessen in zijn symfonische vaart geen adempauzes kent. Je raakt verdoofd door de furie die op je trommelvlies beukt. Met enig genoegen constateer je ten slotte dat de componist zich te pletter loopt.’ Een opname die een jaar later verscheen, ontlokte aan een getergde recensent tot tweemaal toe de bewoordingen ‘het bonken van akkoorden’.

Start / pauzeer slideshow

Louis Andriessen

De meningen moesten wel verdeeld zijn. Elektrisch versterkte instrumenten, hoge volumes en steeds herhaalde muzikale patronen in de tempel van het symfonisch repertoire zullen niet iedereen prettig in de oren geklonken hebben. Hans Reichenfeld van het NRC Handelsblad registreerde ‘exorbitante aantallen decibels’, vermoedde dat ‘de klank in je oren geramd wil worden’, maar oordeelde dat ‘die klank helder en zeer welluidend’ blijft.

Blijkbaar waren er oren, zoals die van Elmer Schönberger, die volume en versterking voor lief namen, en het werk zagen als een bewijs van de vitaliteit van de Nederlandse muziek. Net een paar jaar eerder afgestudeerd aan het conservatorium, dat een bolwerk van behoudzucht was, was de schrijver/componist in artikelen voor de Volkskrant en Vrij Nederland opgetogen. Schönberger had de première van De staat ervaren als een hamerslag op het hoofd. Met sterretjes als gevolg.

Rechttoe, rechtdoor

Het NBE hield zich meer bezig met de manier waarop de muziek uitgevoerd moest worden dan met de politieke lading. ‘We hadden er geen idee van dat het een mijlpaal zou kunnen worden in de Nederlandse muziekgeschiedenis’, zegt Werner Herbers, destijds solohoboïst van het Concertgebouworkest en lid van het ensemble. ‘Louis Andriessen vergde een heel andere manier van spelen van ons. Het was rechttoe, rechtdoor. De muziek kon echt schuren, zeker wanneer de zangeressen in secundes zongen. Het gaf een enorme kick. En we hadden aan Lucas Vis een uitstekende dirigent. Nuchter en to the point. Hij wilde geen gezwijmel, hield vast aan het ritme en het tempo.’

‘De muziek kon echt schuren. Het gaf een enorme kick’

Werner Herbers

Ook in de kranten kreeg Lucas Vis lof toegezwaaid. Hij was toen 29 jaar, de jongste van het hele gezelschap, maar had sinds 1971 gewerkt met de controversële vernieuwer Karlheinz Stockhausen. Vis, die veel leden van het ensemble nog kende uit zijn conservatoriumtijd, werd door hen gevraagd om De staat te dirigeren. ‘Het was niet gemakkelijk,’ herinnert hij zich.

‘Het was voor iedereen nieuw. Mijn eerste reactie was er een van spanning: al die noten en die wisselingen in tempo. Ik had geen idee hoe het moest klinken. Dat kwam pas bij de repetities. Louis Andriessen vroeg veel van de musici. Iedereen moest heel lang heel veel noten achter elkaar spelen.

Hij beschouwde de musici als arbeiders die zware arbeid verrichten. Hij was ook een voorstander van een stuwende, duwende manier van dirigeren, en verwachtte van me dat ik het dubbele tempo zou zwaaien. Hij vond dat iedere noot moest stoten, zodat het jazzy zou klinken. De ­altviolisten hadden een krankzinnig moeilijke partij.

Aan de politieke inhoud zijn we niet toegekomen. We hadden geen tijd om over het thema te discussiëren: we waren bezig met het produceren van muziek. Die eerste keer had iedereen alle energie nodig om de muziek te begrijpen. Achteraf moet je erkennen dat we het eigenlijk niet konden spelen. We zaten onder het tempo dat genoteerd was.

Toen we het twee jaar later opnieuw speelden in het Holland Festival, merkte je dat het bezonken was. De eerste repetitie ging al beter dan de première. Indertijd hebben we het in twaalf repetities ingestudeerd. In 1978 hadden we het in drie repetities voor elkaar, al haalden we ook toen niet het tempo dat Louis voorgeschreven had.’

Griekse tempel

Vis was zich bewust van het monumentale karakter van de muziek. Letterlijk. Nog steeds vergelijkt hij het stuk met een Griekse tempel, zonder de strakke symmetrie. Een vergelijking tussen een compositie en architectuur gaat tot op zekere hoogte mank. ‘Muziek is waarneembaar in tijd, en een gebouw in ruimte. Maar als je je een ruimtelijke voorstelling maakt van De staat, zie je prachtige lijnen en structuren. Het is een sterke vorm die eindigt met een canon van partijen die tegen elkaar ingaan.

‘Op een gegeven moment ging het rondzingen. Ik vroeg me af of we moesten stoppen. Maar we zaten in zo’n drive’

Lucas Vis

Ze zitten elkaar dwars, maar ze helpen elkaar ook. Als je in die ruimtelijke voorstelling naar het werk kijkt, verschilt de linkerkant van het bouwwerk, het begin, met de rechterkant, het einde. Het volgt zijn eigen architecturale wetten. De vier hobo’s beginnen met één ritmische beweging, die achtereenvolgens wordt overgenomen door de koperblazers en het ‘koor’. Het eindigt met een canon waarin de twee partijen verschillende ritmes uitvoeren. Op papier lijkt dat heel grillig, maar in klank is het één bruisend geheel, een crescendo dat abrupt afbreekt en nagalmt.’

Lucas Vis herinnert zich nog de euforie in het ensemble nadat de laatste noot geklonken had. ‘Als dirigent hoor je wat er op het podium gebeurt, maar ook wat er gaande is in de zaal. In 1976 voelde ik de nieuwsgierigheid van het publiek. Het was spannend. Tijdens de uitvoering merkten we dat we te weinig op versterking gerepeteerd hadden. Versterking was toen nog een nieuw verschijnsel in Het Concertgebouw.

In De staat moet de altviool evenveel volume hebben als de trombone. Op een gegeven moment ging het rondzingen. Ik vroeg me af of we moesten stoppen. Maar we zaten in zo’n drive. Dat spontane energie­niveau bereik je niet meer als je opnieuw begint. We zijn doorgegaan. Op de plaat is dat op wonderbaarlijke wijze weggepoetst. Er waren mensen die het te hard gevonden hadden, maar we kregen geen storm van kritiek uit de zaal. En wij hadden het gevoel dat we iets bereikt hadden.’

wo 26 juni | Paradiso
RCO Club Night met Spinvis en Andriessens De staat
Bekijk dit concert op de website van Het Concertgebouworkest