Interview

Michael Waterman - eerste viool

Uit het Preludium maandblad mei 2019

Violist Michael Waterman koos bewust voor een plaats buiten de schijnwerpers in het grote Concertgebouworkest, maar op 2 juni speelt hij in de Kleine Zaal met onder meer Quirine Viersen in Schuberts Strijkkwintet. Het is ook nog eens zijn eigen schuld.

Als je uit de Spiegelzaal komt zie je de marmeren wand met namen van orkestleden die hun zilveren jubileum in het orkest mochten vieren. En als je de namen bestudeert zie je er een aantal terugkeren. Waterman is zo’n naam.

Michael Waterman, foto: Renske Vrolijk

Eerste violist Michael Waterman (35) is nog niet halverwege de muur. Zijn moeder Cleora heeft ’m ruim gehaald met haar pensioen in 2010. Net als zijn vader Robert en oom Frits. Michael zal de muur ongetwijfeld ook halen. Hij heeft zitten rekenen. Zijn pensioen bereikt hij in 2053. Zijn ­grootvader Ephraim kwam in 1950 als eerste Waterman in het orkest. In 2050 overbrugt Michael een eeuw onafgebroken Waterman-violisten in het Koninklijk Concertgebouworkest. Het vervult hem nu al met trots.

Onder de koude kraan

Ondanks de vier familievoorgangers in het Koninklijk Concertgebouw­orkest lag de rode loper niet uitgerold voor Michael. Hoewel hij er al jaren remplaceerde en kind aan huis was in Orkest en Gebouw, moest hij bij zijn auditie vanaf de eerste rondes meedingen, en achteraf is hij daar blij om. ‘Zo groei je in het proces en dat had ik nodig. Ik heb namelijk nooit concoursen gedaan, nooit iets gewonnen. Dat was bewust. Nog voor ik was aangenomen op het conservatorium had ik te kennen gegeven naar een baan in het Koninklijk Concertgebouworkest te streven. Dan moeten we ons daarop richten, was de reactie van mijn leraar Alexander Kerr, destijds concertmeester in het orkest. Dan laat je de concoursen, waar je een ander repertoire voor nodig hebt, schieten.’

Waterman speelde ter voorbereiding voor het meest kritische publiek: zijn eigen familie.

Voor zijn auditie moest Michael de confrontatie aangaan. Hij speelde ter voorbereiding voor het meest kritische publiek, zijn eigen familie, en deed dat oningespeeld, koud van de straat, uitgeput van het trap-op-en-afrennen, met opgevoerde hartslag, onder slecht licht, ’s ochtends heel vroeg of juist ’s avonds laat. Soms hield hij eerst zijn handen onder de koude kraan. ‘Ze zaten vlak om me heen, gestrekte benen, armen over elkaar. Vaak wist ik niet eens wie er zou komen. Kortom: ik heb geoefend onder de meest stressvolle omstandigheden. Je organiseert dat je uit elkaar valt om vervolgens te zorgen dat er voldoende niveau overblijft.’

Liever geen spotlights

Zonder dat ze hem ooit hebben gepusht, of ergens van hebben weerhouden, volgde Michael het spoor van zijn ouders. Zijn volle neef Joël, zoon van oom Frits, ging zijn eigen weg: hij koos voor de altviool en speelt in Het Balletorkest – al remplaceert hij regelmatig in het Concertgebouworkest. Maar Michael voelde nooit de neiging een andere richting in te slaan. ‘De weg naar Het Concertgebouw voelde als heel vanzelfsprekend. De orkestervaring, met z’n allen als één, vind ik een ontzettend fijne belevenis. Ik ga uitdagingen niet uit de weg, integendeel, maar de uitdagingen die me aanspreken liggen achter de schermen. Ik zoek de spotlights niet.’

De nieuwe uitdaging die Michael aanging kwam al in het eerste jaar van zijn aanstelling. Of hij het Concertgebouw Kamerorkest – tegenwoordig ook bekend als Concertgebouw Chamber Orchestra – zou willen managen. Bizarre vraag, vond Michael. Hij had geen enkele ervaring en nooit uitgestraald dat hij zoiets zou willen of kunnen. Hij moest er goed over nadenken, maar heeft de uitnodiging aangenomen, hoewel hij nog maar kort in het orkest speelde en een groot deel van het repertoire nog moest leren. ‘Ik durf het niet maar ik krijg nooit meer zo’n vraag’, realiseerde Michael zich.

Mee naar zwemles

Met zijn functie als artistiek en zakelijk directeur van het Concertgebouw Kamerorkest, waarin musici uit het grote orkest op vrijwillige basis spelen, komt Michael voor steeds weer nieuwe uitdagingen te staan. ‘Ik zet steeds meer petten op. Eerst was ik samen met mijn voorganger Paul Peter Spiering achter de schermen alles aan het regelen, inmiddels regel ik vrijwel alles zelf, samen met onze manager Marianne Brinks. Ik begon ook achterin bij de strijkers en ben inmiddels naar de concertmeesterstoel van het kamerorkest geschoven, een plaats met duidelijk meer exposure. Bij mijn functie hoort ook publiekelijk spreken, iets wat ik nooit aandurfde. En ik arrangeer ook de stukken die we spelen, als dat nodig is.’

Hij voelt zich dankbaar – dat is het beste woord – dat hij dit alles mag doen. Hij bepaalt wie er spelen, wat ze spelen, wanneer ze spelen, hij onderhandelt over de budgetten, maakt de programmering. En dit alles naast zijn volledige orkestbaan in het Concertgebouw­orkest, die toch echt op de eerste plaats komt.

‘Ja, niet genoeg’, beantwoordt Michael de vraag naar zijn aantal uren slaap per nacht. Want hij is ook nog een actieve vader. ‘Ik wil niet te veel van thuis missen. Als ik ineens mee moet naar de zwemles, dan ga ik naar de zwemles. Wat ik eigenlijk had moeten doen, gebeurt dan maar op een ander moment.’

Jongste generatie

De meest recente overwinning van Michael op zichzelf is de kamermuziekserie. ‘Het Concertgebouw Kamerorkest is nog vrij groot en omdat we geen subsidies aanvragen – uit principe, we willen met onze betaalde banen geen valse concurrent vormen voor freelancers – zijn we relatief duur in de onkosten. We zoeken het daarom in flexibiliteit en bieden nu ook kleinere ensembles aan. Dit seizoen treden we voor het eerst ook als solisten op: met de aanvoerders van het kamerorkest en celliste Quirine Viersen spelen we Schuberts Strijkkwintet. Op 2 juni spelen we voor het eerst als zodanig in de Kleine Zaal, in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw.’

En terwijl Michael zijn aanvankelijke schuchterheid overwint en voor nieuwe uitdagingen tegenwoordig ‘met plezier ’s ochtends uit bed springt’ wordt de jongste generatie Watermannen (2 en 6) inmiddels muzikaal beziggehouden. De oudste speelt viool en piano. Michaels echtgenote Marina – Amerikaanse, net als zijn moeder – is ook violiste, dus opnieuw is er een Waterman-­gezin gesticht waarin thuis geleefd wordt met muziek en waar de viooltraditie als vanzelf wordt doorgegeven. ‘We zouden het natuurlijk leuk vinden als de kinderen er later iets mee gaan doen, maar ook wij pushen niet. Want het enige dat echt telt is dat ze de muziek meekrijgen, ongeacht wat ze er verder mee gaan doen.’

De viool van Michael Waterman, foto: Renske Vrolijk

De viool van Michael Waterman

‘Mijn oom Frits kocht lang geleden een viool op een veiling zonder te weten wat voor een instrument het was. Hij speelde erop in het orkest en toen hij eens terugkwam van de pauze in een repetitie stond collega Herman Krebbers met die viool in handen – dat gebeurde toen nog gewoon: ongevraagd andermans viool uitproberen. Hij vroeg: ‘Frits, wat is dit voor ’n ding? Het is echt een wáánzinnig goed instrument!’
Er was geen documentatie, maar na wat speurwerk bleek het te gaan om een instrument uit de school van Vuillaume van rond 1850. Het is onduidelijk of het door de meester zelf is gemaakt of door andere bouwers in zijn atelier. Mijn vader heeft de viool later van zijn broer gekocht en heeft er in het orkest jaren op gespeeld.

Het is een prachtig instrument dat alles kan, met een grote, mooi donkere en diepe Vuillaume-klank. Een heel fijn en betrouwbaar instrument ook. Sinds mijn studententijd leende ik hem af en toe van mijn vader als ik belangrijke dingen moest doen. Dat gebeurde steeds vaker, tot mijn vader met pensioen ging en ik er altijd op kon spelen. Het is een echt familie-instrument en daar heb ik wel een speciaal gevoel bij.’