Achtergrond

Muziek om te overleven

Uit het Preludium maandblad maart 2019

Pavel Haas, Hans Krása, Viktor Ullmann en Gideon Klein zijn vele jaren na hun voortijdige dood – 75 jaar geleden – bekend geworden als ‘de Theresienstadtcomponisten’. Zij waren zeer actief in het rijke cultuurleven aldaar. Niet uit luxe, maar om te overleven.

In oktober 1941 besloten de nazi’s om het garnizoensstadje Theresienstadt (Terezin) in te richten als concentratiekamp. ­Gideon Klein en Pavel Haas arriveerden twee maanden later als eerste gevangenen in de opbouwploeg. Net als alle anderen moest Haas in eerste instantie zware arbeid verrichten. Pas later lukte het hem minder veeleisend werk te krijgen, waardoor hij weer kon componeren.

Start / pauzeer slideshow

Klein richtte zich samen met zijn zus Eliška op de opleiding van kinderen en jongeren die in het kamp van hun ouders gescheiden werden. Vrijwel meteen werden in het geheim muzikale bijeenkomsten gehouden. Niet omdat er veel vrije tijd was, maar om even te ontsnappen aan de gruwelijke realiteit. Er was geen piano, geen bladmuziek, niets.

Klein maakte zich nuttig door volksliedjes te arrangeren voor het koor van medegevangenen. Mondjesmaat werden instrumenten binnengesmokkeld. Een cello arriveerde in onderdelen. In een kelder repeteerde het koor met een harmonium en een gedeeltelijk defecte accordeon. Later werd een vleugel zonder poten binnengesmokkeld.

Bevoorrecht of niet, uiteindelijk wachtte voor iedereen het laatste transport

Vanaf kerst 1941 werden deze bijeenkomsten oogluikend toegestaan. Het hield de gevangenen rustig. Pianiste Alice Herz-­Sommer herinnerde zich na de oorlog hoe de muziek een medicijn was, voor zowel publiek als musici. Het voelde voor haar als ‘dansen onder de galg’, want aan het transport naar het oosten ontkwam niemand.

Elke dag concerten

Hans Krása arriveerde in augustus 1942 in Theresienstadt, een maand later gevolgd door Viktor Ullmann. Inmiddels was er een officiële commissie ingesteld om de ‘vrijetijdsbesteding’ in goede banen te leiden. Op het bezit van muziekinstrumenten stond niet langer de doodstraf en concerten mochten nu in het openbaar gehouden worden. Muziekpapier was inmiddels ruim voorhanden en Ullmann werd meteen bij binnenkomst vrijgesteld van zware arbeid. In een hoekje van een boekenverzameling die dienst deed als bibliotheek kon hij rustig componeren.

Krása kreeg officieel de taak om concerten te organiseren. Eind november ging de opera Prodaná nevĕsta (‘De verkochte bruid’) van de Tsjechische componist Bedřich Smetana in première, de voorstelling werd 35 keer herhaald. In bewerkingen aangepast aan de beschikbare bezetting ­klonken opera’s van Pergolesi en Mozart tot Verdi en Bizet. Alle mogelijke componisten werden uitgevoerd, behalve Wagner.

Ullmann leidde een studio voor nieuwe muziek zoals hij dat ook in het vrije Praag gewend was. Klein werd een belangrijke stuwende kracht en was verantwoordelijk voor de instrumentale muziek. Tot begin 1944 ging er bijna geen dag voorbij zonder een of meerdere concerten en voor de vele concertpianisten onder de gevangenen – uit Nederland bijvoorbeeld Ida Simons, Ferenc Weisz en James Simon – werd een rooster gemaakt om op de instrumenten te mogen studeren.

Er waren meerdere strijkkwartetten van uitstekende kwaliteit en in de zomer van 1944 waren er vier orkesten op concertsterkte. Ook Nederlandse musici speelden mee, zoals Sal Snijder, Sam Tromp en Herman Leydensdorff, violisten uit het Concertgebouworkest, en violist Sam Swaap, die als solist vele malen met het orkest optrad. Er werd een concertzaal ingericht. Viktor Ullmann componeerde zijn opera Der Kaiser von Atlantis, maar toen de nazi’s doorkregen dat daarin de draak gestoken werd met Hitler werd de première op het laatste moment afgelast.

Mensonterend

Als je de indrukwekkende culturele agenda van Theresienstadt bekijkt, zou je bijna denken dat het leven in het concentratiekamp zo slecht nog niet was. Niets was minder waar. Voor de gevangenen diende de muziek geen ander doel dan het ontsnappen aan de mensonterende werkelijkheid. Krása en Klein waren bevoorrecht: zij woonden in een krappe ruimte met drie britsen (een brits is een hard houten bed, red.).

Er stond ook een piano, maar als de een wilde componeren, moest de ander naar buiten. Voor de meeste gevangenen was de situatie zo erbarmelijk, dat dagelijks 150 tot 200 mensen stierven. Op onverwarmde zolders zonder sanitaire voorzieningen leefden ze samengepakt. Ze moesten zwaar werk doen en eten was schaars. Eind september 1942 verbleven 58.000 mensen in een garnizoensstadje dat oorspronkelijk gebouwd was voor 7.000 inwoners.

In totaal stierven 30.000 mensen in het kamp aan de ontberingen. En bevoorrecht of niet, uiteindelijk wachtte voor iedereen het laatste transport. Bijna 90.000 gevangenen werden vergast in Auschwitz. Ensembles, orkesten en koren veranderden door de transporten voortdurend van samenstelling. Klonk op een avond Verdi’s ­Requiem nog uit 180 kelen, de volgende dag was het hele koor weg.

Misleiding

Voor de nazi’s diende het bloeiende muziek­leven een heel ander doel: ze wisten hun gruwelijke misdaden lang te verbergen met misleidende propaganda, gebruikmakend van het enorme potentieel aan muzikaal en intellectueel talent. In de nazomer van 1944 klonk Haas’ Etude voor strijkers tijdens het bezoek van een delegatie van het Rode Kruis. Net als Krása’s kinderopera Brundibár belandde de uitvoering in de propagandafilm Der Führer schenkt den Juden eine Stadt.

Speciaal voor deze gelegenheid werd een theaterzaal ingericht. Tussen de première op 23 september 1943 en het laatste kindertransport een jaar later werd Brundibár minstens 55 keer uitgevoerd. Met deze beelden werd Theresienstadt als kuuroord voorgesteld – vooraanstaande joden werden verleid en arriveerden soms in avondkostuum en galajurk. Tussen 28 september en 28 oktober 1944 vertrokken elf transporten met 18.402 gevangenen naar Auschwitz.

Met de filmbeelden werd Theresienstadt als kuuroord voorgesteld – vooraanstaande joden werden verleid en arriveerden soms in avondkostuum en galajurk

Voor de componisten Klein, Haas, Krása en Ullmann werd geen uitzondering gemaakt. De vier maakten op 16 oktober 1944 deel uit van het zogenaamde kunstenaars­transport. Geen van hen overleefde. Zelfs op het allerlaatst stelde Gideon Klein zijn muziek in dienst van het welzijn van zijn medegevangenen. Een getuige herinnert zich hoe Klein zich naakt achter een piano zette om de wachttijd voor het lichamelijk onderzoek in kamp Fürstengrube voor iedereen enigszins draaglijk te maken.

Levensbelang

Hoewel het aantal uitstekende musici in Theresienstadt uitzonderlijk was, was het musiceren in concentratiekampen geen uitzondering. In situaties waarin de diensten van een loodgieter triviaal worden, blijkt de gave van musici van levensbelang. In concentratiekamp Westerbork werd na elk transport een revue opgevoerd. De gebroeders Haagman (trombone) en trompettist Sloghem uit het Concertgebouworkest speelden mee.

Een onbekende gevangene uit Westerbork herinnerde zich de uit Duitsland naar Amsterdam gevluchte componist Hans Krieg, die ‘met zijn tasch vol muziekboeken en composities van barak naar barak wandelde om de kinderen les te geven.’ Voor hem was de kennismaking met en het luisteren naar Krieg een lichtpunt in donkere tijden. Krieg overleefde concentratiekamp Bergen-Belsen en zou na de oorlog een belangrijk pleitbezorger van joodse muziek worden.

Fluitist Piet van den Hurk musiceerde in kamp Vught en Dachau en vertelde in een interview na de oorlog hoe de muziek velen tot steun was. Marius Flothuis, die later jarenlang artistiek leider van het Concertgebouworkest zou zijn, componeerde muziek voor medegevangenen in kamp Vught en Oranienburg en droeg deze werken mee op de lange mars naar de bevrijding. Na de oorlog schreef hij over deze periode: ‘Die concerten hebben niet alleen voor ons musici, maar ook voor de andere gevangenen een grote betekenis gehad.’