Achtergrond

Het recept van een Stradivarius­viool

Uit het Preludium maandblad september 2018

Terwijl bijna alles beter, sneller en mooier wordt, speelt een zichzelf respecterend violist het liefst op een Stradivarius, Amati of Guarneri uit de zeventiende of achttiende eeuw. Nog steeds is niet duidelijk wat het geheim van de beroemde bouwers was, en óf er eigenlijk wel een geheim recept bestaat. 

Antonio Stradivari (1644-1737), de zoon van een houtsnijder, is misschien wel de bekendste vioolbouwer van de zogenoemde Cremonese School. Hij werd onwaarschijnlijk oud (92), en maakte minstens 1300 strijkinstrumenten, waarvan er nu nog 550 bestaan. Inmiddels gaan er op jaarbasis handenvol van deze ‘Strads’ door de scanner voor onderzoek. Met die informatie kunnen we steeds iets beter begrijpen wat zich tussen het zaagsel in de werkplaats in Cremona heeft afgespeeld.

Tussen de potjes met olie en vernis in Antonio’s atelier blijkt bijvoorbeeld ‘kaaslijm’ te hebben gestaan: een kleverige substantie die ontstond door geraspte kaas op te lossen in heet water, en vervolgens door te roeren met ongebluste kalk. Die colla di formaggio was populair onder houtbewerkers, en Stradivari heeft er hoogstwaarschijnlijk houtporiën mee dichtgesmeerd.

Start / pauzeer slideshow

Misschien wel belangrijker dan laagjes vernis, is de vraag of Stradivari zélf wist waarom de klank van de violen die hij maakte zo goed was. De kans is groot dat hij zich gewoon liet inspireren door de viool die het best klonk, net als de andere bouwers uit zijn tijd. Door kleine variaties in het handwerk waren violen nooit helemaal gelijk. Zo kon bijvoorbeeld een uitschieter in het houtsnijwerk juist wonderen doen voor de klank.

Bekijk het septembernummer van Preludium

Door de kenmerken van een goede viool heel precies na te maken in het volgende model, ‘evolueerde’ het instrument tussen 1500 en 1750. Dat proces is goed te zien aan de f-vormige klankgaten: die zijn van de vroege Amati-violen (1511-1580) tot aan de violen van Stradivari (1644-1737) en Guarneri (1698-1744) steeds iets langer geworden. Ook werd het achterblad van de viool door de eeuwen heen steeds dikker.

Maar is de evolutie van violen sindsdien gestagneerd? Wachten we al sinds de dood van Stradivari tot zijn reïncarnatie opstaat? Niet nodig. Uit meerdere geblinddoekte tests blijkt dat luisteraars én solisten juist vaak de voorkeur geven aan een moderne viool. En ook uit ergonomisch oogpunt is het zeventiende-eeuwse modelletje niet perfect. ‘Misschien hebben moderne ­bouwers de kloof tussen oude en moderne violen eindelijk overbrugd, of heeft de kloof helemaal nooit bestaan. Het is hoe dan ook tijd om dit debat aan de kant te leggen.’ Concludeert een recent artikel.

Helaas voor Stradivari, maar misschien wel fijn voor ons.