Interview

Herbert Blomstedt: ‘Ik word nu echt oud, hoewel ik het niet voel.'

Uit het Preludium maandblad mei 2018

Dirigent Herbert Blomstedt werd deze week 91 jaar. In mei stond hij voor de 70e keer voor het Concertgebouworkest én was hij de oudste dirigent die het orkest ooit leidde. Hij vierde dit met muziek van zijn landgenoot Berwald.

De zon schijnt in Luzern als hij met een opgewekt ‘Blomstedt’ de telefoon opneemt. ‘Het lijkt wel lente hier!’ Ondanks de grijze lucht in Amsterdam deel ik al snel zijn optimisme, want binnen vijf minuten zingt de maestro een passage uit Franz Berwalds Symfonie singulière’ voor. Blomsteds geschiedenis met de muziek van zijn landgenoot gaat lang terug.

Hij herinnert zich de uitvoering van het amateurorkest van zijn muziekleraar in de provinciestad Jönköping nog als de dag van gisteren. ‘De symfonie stond samen met Beethovens Vijfde op het programma. Als tiener had ik meteen door wat een originele geest Berwald was. Hoe kun je nu een heel deel van een symfonie bouwen op een thema dat slechts uit twee noten bestaat?’ Daar klinken de eerste maten al door de telefoon.

Start / pauzeer slideshow

‘Toen ik in Uppsala muziekwetenschap ging studeren om mij voor te bereiden op mijn debuut in Stockholm, werd ik gevraagd een moderne editie van het werk te verzorgen voor uitgeverij Bärenreiter. Dat was meteen mijn enige avontuur als muziekredacteur.’ Een volgende mijlpaal in zijn relatie met de symfonie was een buitenkans in Boston, begin jaren vijftig.

‘Ik had een beurs om aan het New England Conservatory of Music te gaan studeren. Malcolm Holmes, een van de docenten, werd ernstig ziek en men vroeg mij om het conservatoriumorkest te dirigeren. Kennelijk zagen ze iets in me. Uit veiligheidsredenen koos ik een werk dat ik zelf goed kende, maar waar waarschijnlijk niemand in de Verenigde Staten ooit van gehoord had: Berwalds Derde symfonie.’

Beter geluid door repeteren in een Concertzaal

‘Helaas had ik in de jaren die volgden niet veel gelegenheid de symfonie uit te voeren, maar ik denk met bijzonder veel plezier terug aan de uitvoering met de Berliner Philharmoniker in februari 2016. Het kostte wel wat overredingskracht, maar ik had een goed argument: Berwald woonde en werkte twaalf jaar lang in Berlijn. Ik vond het hoog tijd dat ze deze opmerkelijke componist eindelijk eens ontdekten. Het werd een sensationeel concert, het orkest was verkocht, het publiek genoot.’

'Het Concertgebouworkest is een fantastische groep nieuwsgierige experts'

Blomstedt is verheugd te horen dat deze symfonie al eerder bij het Concertgebouworkest op de lessenaars stond (in 1974, onder leiding van David Zinman). ‘Ik ben benieuwd hoe de musici in Amsterdam zullen reageren. Het is een fantastische groep nieuwsgierige experts. Ik bewonder het orkest al heel lang en heb veel historische opnames met Willem Mengelberg beluisterd.’

Heeft het orkest nog wel een eigen geluid nu de wereld steeds kleiner wordt en mondialisering overal een rol speelt? ‘Jazeker! Voor de klank van het Concertgebouworkest is de ruimte waarin gewerkt wordt zeer bepalend. Het is uniek dat het orkest alle repetities in de eigen concertzaal houdt. Er zijn genoeg uitstekende orkesten die geen eigen zaal hebben om in te repeteren.'

Lees ook: 'In de hoorns klinkt een Amsterdamse School'

'De Staatskapelle Dresden repeteert in een verschrikkelijke ruimte op de vierde verdieping. Het is een wonder hoe ze toch hun eigen onderscheidende geluid weten te behouden in een concert. Hoe je iets wilt spelen is dus ook belangrijk, en hoe je naar elkaar luistert. Maar repeteren in je eigen concertzaal leert je hoe je de akoestiek het best kunt bespelen. Het drukt een enorm stempel op het geluid.’

Cruyffiaanse logica

‘Berwalds Derde symfonie ‘Sinfonie singulière’ is een virtuoos stuk dat om heel goede musici vraagt om de originaliteit goed tot z’n recht te laten komen. Met de ervaring die ik inmiddels heb is het makkelijker om de vinger op de juiste plek te leggen om tot een goede uitvoering te komen. Je moet musici de kans geven om te spelen en zelf deze nieuwe persoon Berwald te ontdekken.

Het is toch wonderlijk dat Berwald van dezelfde generatie was als Schumann en Mendelssohn, hetzelfde orkestmateriaal tot z’n beschikking had en toch op iets totaal anders uitkwam dan zijn collega’s. Zijn originaliteit zit niet in een detail, maar zit consequent door het hele stuk. In feite zou Mendelssohn ook zo’n vernieuwende symfonie geschreven kunnen hebben, als hij een andere persoonlijkheid had gehad.’

Om deze Cruyffiaanse logica moet Blomstedt zelf lachen. ‘Misschien heeft het te maken met de Noordse achtergrond. Jean Sibelius was ook zo’n apart figuur. Originaliteit betekent dat je aan de ene kant niemand imiteert en aan de andere kant zelf niet te imiteren bent.’

Vikingen hadden ook al hoorns

Blomstedt vindt ook dat de grote rol die het koper speelt typisch Scandinavisch is. ‘Bij Berwald zijn de trombones zelfs belangrijker dan bij Berlioz of Brahms. Ze zijn alomtegenwoordig, in alle muziek van Berwald. Ik denk dat het te maken heeft met de Vikingtijd. De Vikingen hadden al mijnen, en dus ook bronzen hoorns.’

De dirigent roemt ook de originaliteit van de harmonische taal, vooral in het langzame deel. ‘De overgang aan het begin van G groot naar As groot is onverwacht, zonder enige voorbereiding. Berwald hield erg van verrassingen, het liefst choqueerde hij een beetje.’ En dan zingt hij een van zijn favoriete passages.

‘In het Adagio spelen de strijkers steeds zachter en dan komt er een geweldige paukenslag, BENG! Alsof hij het publiek wakker wil schudden. Overigens ook heel origineel is het feit dat dit scherzo, ingeluid door de klap op de pauk, ingebed is in het langzame deel. Een andere componist zou juist een trio inbedden in een scherzo. Het is heel lichtvoetige muziek, misschien vergelijkbaar met Mendelssohns ouverture Ein Sommernachtstraum, knap lastig om goed te spelen.’

De titel ‘Sinfonie singulière’, door Berwald zelf gekozen, past dus volgens Blomstedt uitstekend. ‘Berwald wilde zich altijd presenteren met iets nieuws, geen herhaling van zetten. Hij heeft zelfs een verhandeling over componeren geschreven, waarin hij goede raad geeft aan jonge componisten. Bij elk nieuw werk moet je jezelf de vraag stellen of het origineel is. Zitten er originele harmonische wendingen in, misschien een ritmische vondst of een vernieuwende lyriek? Als het antwoord op al die vragen nee is, dan kun je het beter in de alles opslokkende oceaan van vergetelheid gooien.’

Alleen nieuwe muziek

Het idee om Berwald met Berlioz te combineren is van Blomstedt zelf afkomstig. ‘De combinatie werkt heel goed: beiden bouwden voort op Beethoven, maar met een totaal andere uitkomst. Misschien is Berlioz nog wel meer ‘singulière’ dan Berwald. Zijn Symphonie fantastique is waarschijnlijk het meest opmerkelijke en originele symfoniedebuut van alle componisten die ik ken. Totaal origineel. En wat een talent voor een 27-jarige!’

In tegenstelling tot de enkele uitvoeringen van Berwalds symfonie stond die van Berlioz al 242 keren op de lessenaar bij het Concertgebouworkest. Het deert de negentigjarige niet: ‘Ik zeg wel eens grappend: ‘Ik speel alleen nieuwe muziek’. Het is net als met brood, je moet het elke dag opnieuw bakken. Hoewel iedereen van dezelfde partituur speelt, zijn er duizend mogelijke interpretaties en allemaal kunnen ze waar zijn en overtuigend.

'Het is net als met brood, je moet het elke dag opnieuw bakken.'

Het is ons vak om elke keer iets nieuws te creëren. Het resultaat hangt af van het karakter van de musici, de stemming op dat moment, van de dirigent, de musici en het publiek. Het leven beïnvloedt de muziek. Iedereen is anders, elk moment is anders. Een vriend van mij zei ooit: ‘Als er twee mensen over alles totaal hetzelfde denken, is er één overbodig.’

Voorlopig is maestro Blomstedt nog lang niet overbodig. ‘Ik word nu echt oud, hoewel ik het niet voel. Op een dag kan ik niet meer dirigeren, maar ik weet niet wanneer dat zal zijn.’ Meteen schakelt hij weer over naar de toekomst: ‘Het zou toch mooi zijn als de Wiener Philharmoniker Berwalds symfonieën opnemen? In Wenen had hij immers veel succes toen ze in de vroege jaren veertig van de negentiende eeuw zijn muziek uitvoerden.’