Achtergrond

De vloek van de Negende symfonie

Had Mahler last van bijgeloof?

Vanaf 7 juni dirigeert Bernard Haitink Mahlers Negende bij het Concertgebouworkest. Mahler blies, net als de componisten Beethoven en Bruckner, na het schrijven van negen symfonieën zijn laatste adem uit. Bestaat er zoiets als 'De vloek van de Negende'?

De mythe rondom de Negende is misschien wel gewoon de schuld van Arnold Schönberg. In zijn ­‘Prager Rede’ verdedigde Schönberg in 1913 uitgebreid de – toen nog zeer omstreden – muziek van de twee jaar eerder overleden Mahler. De rede bevat een aanval op Mahlers tegenstanders en een analyse van de symfonieën, maar ook een verklaring voor het feit dat Mahler nooit verder kwam dan de aanzet tot zijn Tiende.

Riemen vast, lezers van de nuchtere 21ste eeuw:

'Het schijnt dat de Negende een grens is. Wie daarna nog verder wil, moet sterven. Het lijkt wel of een eventuele Tiende symfonie informatie bevat waarvoor de mensheid nog niet klaar is. Componisten die een Negende schreven staan daarom met een been in het graf. Misschien zijn alle raadsels van deze wereld wel opgelost, als iemand een Tiende zou schrijven.'

Kennelijk waren we nog niet rijp om te weten wat een Tiende symfonie zou kunnen bevatten: het antwoord op de raadsels in de wereld. Een ieder die een negende schreef, stond te dicht op het hiernamaals. Voorbeelden hoefde Schönberg niet eens te geven: zijn toehoorders wisten heus dat hij verwees naar Bruckner en bovenal Beethoven.

De vloek begon zonder twijfel bij Beethoven

Vóór hen hadden Haydn (officiële telling 104) en Mozart (41) natuurlijk ruim voldoende symfonieën gecomponeerd. De vloek begon zonder twijfel bij Beethoven. Diens ­Negende was revolutionair gebleken: Beethoven ­voegde een koor en zangsolisten toe aan de finale, op tekst van Schiller, en brak zo ­definitief met de vorm van de klassieke symfonische traditie.

Illustratie door Olivia Ettema

Niet alleen hield Beethovens erfenis zijn opvolgers in een wurggreep – de reden dat Brahms bij lange na nooit aan een Negende toekwam, heeft alles te maken met zijn langdurige twijfels om ook maar één eerste symfonie te schrijven. Maar bovendien leek Beethoven zijn opvolgers te vervloeken, en ook zichzelf: na de ­hemelse vreugde van ‘Ode an die Freude’ kwam hij nooit meer verder dan een schetsmatige aanzet tot een tiende symfonie, die overigens ook met een vocaal deel had moeten eindigen – een hypothetische, zeer kwestieuze reconstructie is te vinden op YouTube.

Bruckners finale
Schönberg was waarschijnlijk de eerste ­prominente opiniemaker die de mythe van de Negende uitgebreid heeft benoemd. Maar hij was niet de eerste die naar de vloek verwees. Mahler noemde zijn op de Achtste symfonie volgende orkestwerk Das Lied von der Erde geen symfonie – naar verluidt mede uit bijgeloof wegens de fatale ­Negende van Beethoven en Bruckner.

Bruckner zelf leek ook te lijden onder de druk. De toonsoort van zijn eigen Negende was een verwijzing naar Beethovens baanbrekende symfonie: ‘Ik zal mijn laatste symfonie schrijven in d klein, net als Beethovens ­Negende. Beethoven zal het niet erg vinden.’ Overigens is er ook een aanwijzing dat Bruckner aan het eind van zijn leven nog met plannen rondliep voor een tiende, ‘Gotische’ symfonie.

Illustratie door Olivia Ettema

In de zomer van 1887 was Bruckner begonnen aan zijn Negende symfonie, tot de afwijzing van zijn Achtste door de dirigent Hermann Levi hem in een diepe crisis stortte. Als bezeten wijdde Bruckner de daaropvolgende jaren aan revisies van enkele eerdere symfonieën, om de draad pas rond april 1891 weer echt op te pakken. Was hij vervolgens maar nooit begonnen aan de opdracht voor het symfonische koorwerk Helgoland, dat in 1893 weer voor de nodige vertraging zorgde. Na de voltooiing van de eerste drie delen van de symfonie werd Bruckner ernstig ziek, maar herstelde schijnbaar en begon serieus werk aan de finale.

Nog op de dag van zijn dood werkte hij aan dit laatste deel. Er is voldoende bewijs dat Bruckner de complete structuur van de finale in kaart had gebracht, inclusief aanwijzingen voor de instrumentatie. Zo’n 600 van de 650 maten kunnen tenminste bij benadering worden gereconstrueerd; Simon Rattle zette met de Berliner Philharmoniker een vierdelige versie op cd, met dank aan een musicologenteam onder ­leiding van Nicola Samale.

De tiende
Reden genoeg voor speculatie. Maar de mythe van de Negende als niet te overschrijden grens is herhaaldelijk gretig onderuit gehaald. Het is immers eenvoudig gaten schieten in Schönbergs betoog. Schubert schreef acht symfonieën, maar als je alle onvoltooide exemplaren inclusief fragmenten meetelt kom je op een stuk of dertien. Toen Schönberg zijn ‘Prager Rede’ hield, kon hij onmogelijk bevroeden hoe geaccepteerd latere reconstructies van Mahlers Tiende symfonie zouden blijken. En Bruckner ­componeerde een ‘Nulde’ en een ‘Schoolarbeidsymfonie’. Maakt al elf.

‘Wir sollen noch weiter in einem Dunkel bleiben, das nur gelegentlich durch das Licht des Genies erleuchtet wird.’ Aldus wederom Schönberg. Geestig is het dan om je te realiseren welke genieën sindsdien het donker hebben verdreven. Villa-Lobos voltooide zijn officiële Tiende symfonie ‘Ameríndia’ in 1953. Best leuke muziek inclusief koor en vogelgekwetter, maar niet zonder reden vergeten. En tekenend voor de ironie van Sjostakovitsj is dat deze componist van zijn Negende – waar wegens de beethoveniaanse bijklank met torenhoge verwachtingen naar was uitgekeken – het luchtige tegendeel maakte van een monumentale totaalervaring. Ook is het natuurlijk niet netjes dat Schönberg de Tiende symfonie van Joachim Raff uit 1879 (eigenlijk al Raffs Elfde) over het hoofd zag.

Illustratie door Olivia Ettema

Je zou nuchter kunnen vaststellen dat symfonieën in de negentiende eeuw steeds omvangrijker werden en daardoor langzamer tot stand kwamen dan in de productieve tijd van Haydn en Mozart. Maar een onweerstaanbaar romantische gedachte blijft het, de Negende als een onneembare horde, een gedachte die aansluit bij het pathos van de componisten die op het toppunt van de muziekromantiek zich aan een negende (of tiende) waagden. Symfonieën waren meer dan ooit verbonden met het persoonlijke lot van de maker.

Abschied vom leben

Rest de vraag hoe om te gaan met Bruckners Negende symfonie, die balanceert op de grens van het ‘Jenseits’. Meestal worden alleen de eerste drie delen uitgevoerd, die samen al een uur duren. Heeft Bruckner hier niet immers alles al gezegd, en het Adagio een ‘Abschied vom Leben’ genoemd? Aan de andere kant: de onvoltooide finale behoorde vanaf de eerste schetsen tot het totaalconcept, en het blijkt dat Bruckner in het slotdeel alles wilde samenbrengen, van de meest dissonante akkoorden, een fuga en een grootse hymne aan God tot aan de langverwachte oplossing naar D groot. Het moest de overtreffende trap in zijn oeuvre worden. Dan toch maar een reconstructie inlassen? Of desnoods eindigen met Bruckners Te Deum zoals de componist zelf aangaf?

Helaas beschikte Bruckner niet over een weduwe of betrouwbare vriend die waakte over zijn nalatenschap: erfgenamen als Franz Schalk en Ferdinand Löwe verkochten doodleuk pagina’s van het manuscript of deelden ze uit als cadeautjes. Dirigent Nikolaus ­Harnoncourt deed dan ook een beroep op zijn publiek om nog eens goed op zolder of in oude kasten te kijken: nog minstens twintig vellen met Bruckners handschrift zouden zich verspreid over de wereld moeten bevinden. Wellicht dat daar toch nog enkele antwoorden op de wereldraadsels te vinden zijn.

alle illustraties bij dit artikel zijn gemaakt door Olivia Ettema