Interview

Anna Prohaska over dramaqueens

Anna Prohaska

Ze heeft alles mee: een wonderschone sopraan die ze dankzij een feilloze techniek alle kanten op stuurt, haar uiterlijk, gevoel voor stijl en theater, een bijna grenzeloos repertoire. Aan dit alles dankt Anna Prohaska een overvolle agenda, maar ze blijft bescheiden, want ze is liever mens dan diva.

Dit voorjaar leverde ze in de Kleine Zaal nog een overtuigend bewijs van haar veelzijdigheid: in de serie Strijkers met Variatie zong ze met een zes man sterk ensemble werk van Pergolesi, Schubert en Webern. In de pauze, terwijl haar collega’s zich warm spelen voor hun optreden daarna, ontvangt ze me allerhartelijkst in de kleedkamer.

Als de honger gestild is met een banaan, wil ze eerst even een hardnekkig misverstand uit de weg ruimen: dat ze Duitse zou zijn. ‘Al ben ik geboren in Neu-Ulm, ik heb een Oostenrijks paspoort. Mijn vader is Oostenrijker, maar als operaregisseur reisde hij veel en daardoor woonden we in Duitsland toen ik geboren werd. Op mijn zesde verhuisden we naar Wenen en later naar Berlijn, waar ik ben blijven wonen. Maar als Oostenrijks staatsburger voel ik me nog altijd verplicht van mijn stemrecht gebruik te maken.’

Anna’s jeugd was doordrenkt van muziek. Haar grootvader van vaders kant was dirigent, haar Engelse moeder zangeres. ‘Zij stopte met zingen om zich aan haar kinderen te wijden, mij en mijn broer, die trouwens ook zanger is geworden. Tenor, briljant, hij danst ook fantastisch en kan heel lang zingen zonder buiten adem te raken. Daar kan ik veel van leren.’

‘Muzikaal heeft mijn vader me het meest geïnspireerd. Hij gaf veel door van mijn grootvader, die stierf toen ik zes was – liederen van Schubert en Schumann heb ik dankzij hem al heel jong leren kennen.

Start / pauzeer slideshow

Mijn moeder bracht me sociaal gedrag bij, nederigheid. Dat het belangrijk is iedereen op eenzelfde manier tegemoet te treden, of het nu de intendant is, een orkestlid of de inspiciënt. Zij was een prachtige zangeres, een echte dramatische coloratuursopraan, maar ze heeft me geen les kunnen geven. We hebben het wel geprobeerd, toen ik een tiener was, maar ja, moeder en dochter, dat ligt gevoelig.’

Stijlgevoel

Haar repertoire reikt van Hildegard von Bingen, Bach en Purcell tot Schönberg, Ives en Ligeti. Houdt dat voor die heel verschillende componisten een ander stemgebruik in? ‘Het is heel gemakkelijk om in maniërisme te vervallen’, vindt ze. ‘Daar moet je voor oppassen. Je kunt niet altijd vibratoloos blijven zingen, zoals je in het romantische repertoire ook niet op elke noot hoeft te vibreren.

In elk repertoire moet je zingen met je eigen stem, je eigen ziel. Wel is het heel belangrijk een goed gevoel voor stijl te hebben, en de juiste klankvoorstelling. Als heel klein kind luisterde ik al naar opnames van zangers als Michael Chance, Elly Ameling, Christine Schäfer en andere grote voorbeelden. Niet om ze te imiteren, maar ter inspiratie. Je moet wel goed weten en aanvoelen wat een bepaalde rol of liedrepertoire van je vraagt.

Het sneeuwmeisje van Rimski-Korsakov bijvoorbeeld eist een lichtere sopraan dan Tatjana in Tsjaikovski’s Jevgeni Onjegin. Vaak heerst er een verkeerde opvatting over wat precies goed is voor een bepaalde muzikale periode, maar soms klopt het helemaal. Zoals bij Christian Gerhaher: zijn Schubert is de Schubert die ik me voorstel, veelkleurig, elk woord te verstaan, kristalhelder.’

Koninginnen

Uit het concert op 27 september in de Grote Zaal blijkt haar grote voorliefde voor barokmuziek. ‘Het is mijn programma’, zegt ze trots. ‘Ik stuurde de dirigent een lijst van de aria’s die ik graag zou zingen, waarbij hij het idee inbracht om naast de jammerklachten van koningin Dido – Purcell ligt me na aan het hart – ook die van Cleopatra te laten horen.

Het zijn twee heel verschillende koninginnen, maar beiden stierven door een ongelukkige combinatie van liefde en macht. Hun gepassioneerde liefdesleven, hun deso­late verlangens, al dat drama, ik ben er dol op. Als je zoveel soubretterollen hebt gezongen – Blondchen in Mozarts Die Entführung aus dem Serail, of Ännchen in Der Freischutz van Weber – lokt wat meer diepgang. In deze barokmuziek kan ik in het donker duiken, diep in de menselijke tragedie.

Misschien omdat ik zelf nogal ongelukkig in de liefde ben. Ik heb van een relatie te hoge verwachtingen; het is voor een man ook moeilijk te verdragen: behalve de aandacht die je hebt voor de muziek en je vak, ook de aandacht die je kríjgt, waarbij de partner vaak genegeerd wordt. En dan nog al dat reizen; met een zanger samenleven is een moeilijke opgave.’

Is het vak de offers waard? ‘De stem is een moeilijk, veeleisend instrument’, beaamt ze. ‘Ik kan vanavond niet met mijn vrienden iets gaan drinken, want morgen heb ik weer een concert. Altijd is er de angst voor een verkoudheid, de angst dat het instrument weigert. Is mijn carrière dat waard?’

Ze aarzelt lang. ‘Ja, na een concert als van vanavond, hier, met dat goede publiek, ja. Zeker als het om kamermuziek gaat.’ Op de vraag wat de invloed van het grote succes op haar is, antwoordt ze: ‘Ik ben heel voorzichtig met mijn vrienden van vroeger.

Ik praat ik niet te veel over het zingen, want hoewel het mijn leven beheerst, wil ik ze niet vervelen met wat ik doe en de successen die ik heb. Ik wil in de eerste plaats mens zijn, geen diva.’