Achtergrond

Minimalisme

Uit het Preludium maandblad maart 2016

De tegenhanger van het woeste romantische gebaar werd het ingetogen minimalisme. De muziek van John Cage en Philip Glass is bijna hypnotiserend. Waar komt dit idee vandaan? 

Zowel in de beeldende kunst als in de muziek kwam in de jaren zestig een stroming op die minimalisme genoemd wordt, maar beide zijn hooguit zijdelings aan elkaar verwant. Beeldend kunstenaars, vooral in New York, gingen – in navolging van bijvoorbeeld Piet Mondriaan, Yves Klein en Barnett Newman – gebruikmaken van eenvoudige geometrische vormen.

Al in 1959 baseerde Frank Stella de strepen van zijn ‘black paintings’ op patronen in het canvas, een objectief gegeven. De nadruk op ­koele onpersoonlijkheid was een reactie op het woeste abstract-expressionisme. Het leidde tot de monumentale sculpturen van Donald Judd, Elsworth Kelly en Sol LeWitt.

Minimalistische muziek had gelijksoortige drijfveren, maar heel andere invloeden: onder meer traditionele muziek uit India en Afrika en de experimentele compositiemethoden van John Cage. De term minimal music refereert sinds eind jaren zestig aan muziek die extreem weinig materiaal steeds weer herhaalt. De bekendste minimalisten van het eerste uur waren LaMonte Young, Terry Riley, Philip Glass en Steve Reich.

Vooral Glass en Reich pasten in hun vroege werk mechanisch verlopende processen toe (bijvoorbeeld op basis van rekenkundige reeksen), met hypnotiserende geleidelijke transformaties als resultaat (‘procesmuziek’).

Start / pauzeer slideshow

Bijna alle minimalisten zouden echter al gauw de objectivering laten varen (een uitzondering is Tom Johnson), en herhaling alleen nog als stijlmiddel toepassen, hetgeen de weg vrij maakte voor componisten als Louis Andriessen, John Adams, Michael Nyman en de populaire ‘spirituelen’ Arvo Pärt, John Tavener en Henryk Górecki.

Een interessante outsider was de Nederlander Simeon ten Holt, wiens Canto ostinato uitgroeide tot een modern-klassieke hit.

Lees ook: Wat is Arvo Pärts 'ei van Columbus'?